Beginjaren
Bij de oprichting in 1904 werd de contributie vastgesteld op ƒ 0,75 per jaar voor alleenstaanden en ƒ 1,50 voor een gezin. Omdat er in het begin van het bestaan van de vereniging veel sterfgevallen waren, ontstond er al snel een tekort aan geld. Door het verhogen van de contributie en het ontvangen van giften verdween dit tekort in de loop der jaren. De 109 leden betaalden aan instappremie ƒ 0,20 per persoon. Dat was alles bij elkaar een mooi bedrag voor de penningmeester: zo’n ƒ 21,80, een klein vermogen.
Uitvaarttaken
Vroeger werd een overledene naar het graf gedragen op een zware houten draagbaar, waarvoor acht dragers nodig waren. In 1953 werd deze vervangen door een lichtere ijzeren baar (zes dragers) en in 1964 door een rijdende baar, waardoor nog maar vier dragers nodig zijn.
Tot 1979 woonde de bode van de vereniging altijd in Easterein. Bij een overlijden ging hij langs alle deuren in het dorp om het nieuws persoonlijk te brengen. De laatste Eastereiner die deze taak vervulde als traditionele “leedomsizzer” was de heer Leverink.
In de jaren negentig besloot de uitvaartfederatie dat de term ‘bode’ voortaan ‘uitvaartverzorger’ zou worden en dat een ‘doodgraver’ als ‘grafdelver’ moest worden aangeduid. In Easterein wordt deze functie momenteel uitgevoerd door P. en G. Faber, nadat Tj. Hoekstra dit jarenlang heeft gedaan.
In het dorpsarchief is hierover nog veel terug te vinden.
Klokluiden
Uit het Dorpsarchief Easterein blijkt hoe belangrijk het klokluiden vroeger was binnen het dorp en hoe nauw dit verbonden was met de begrafenis zelf.
Bij een overlijden werden de torenklokken uitgebreid geluid. In normale omstandigheden werd een overledene ’s ochtends van acht tot negen uur beluid. Bij het overlijden van een man werd begonnen met de grote klok, bij een vrouw met de kleine klok. Kinderen werden een half uur beluid, van acht tot half negen.
Soms werden de klokken van drie tot vier uur geluid voor iemand van buiten het dorp. Dit betrof meestal een oud-inwoner van Easterein die nog een graf in het dorp had.
Het klokluiden maakte ook nadrukkelijk deel uit van de begrafenisstoet. Wanneer de rouwstoet zich bij de Ald Skoalle opstelde, gaf de bode een teken. Zodra de stoet de hoek om kwam, begon het luiden van de klokken. Bij begrafenissen vanuit de gereformeerde kerk gebeurde dit vanaf de brug aan het begin van de Griene Leane; zodra de stoet de brug bereikte, werden de klokken geluid.
Aangekomen op het kerkhof werd de stoet eerst drie keer langs het open graf geleid. Daarna stelde men zich rondom het graf op en zwegen de klokken. Na de plechtigheid liep de stoet nog eenmaal langs het open graf. Pas wanneer de laatste mensen weer langs de Ald Skoalle waren, stopte het klokluiden.
Ook bij begrafenissen van personen van buiten het dorp werd soms geluid. De bode liep dan vanaf het plaatsnaambord voor de lijkwagen uit, terwijl onder klokgelui de kist naar het graf werd gebracht.
Deze gebruiken laten zien hoezeer het klokluiden verweven was met het dorpsleven en het gezamenlijke afscheid nemen.
De klokken van Easterein: